Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
“een concreet aanwijsbare aanleiding (…) om te veronderstellen dat de WWM wordt overtreden of dreigt te worden overtreden”). De Staat betoogt verder, kort samengevat, dat in de brief van 30 maart 2021 aan [eiser] is uitgelegd dat jegens hem sprake is van een concreet aanwijsbare aanleiding om te veronderstellen dat de WWM wordt overtreden of dreigt te worden overtreden. Die concreet aanwijsbare aanleiding vloeit, aldus de Staat, voort uit de feiten en omstandigheden als uiteengezet in het risicoprofiel van [eiser] op grond waarvan [eiser] is aangemerkt als VRS. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is de Staat van mening dat vanwege de aanduiding van [eiser] als VRS de politie als zij [eiser] aantreft altijd mag aannemen dat voldaan is aan voormelde vereiste sub c. De voorzieningenrechter volgt de Staat hierin niet en overweegt daartoe als volgt.
te allen tijdesprake is van een concreet aanwijsbare aanleiding om te veronderstellen dat de WWM wordt overtreden of dreigt te worden overtreden. De rechtspraak waar de Staat naar verwijst rechtvaardigt geen andere conclusie, nu die rechtspraak ook uitgaat van een concrete aanleiding / feitelijke omstandigheden, kort voorafgaand aan / ten tijde van de inzet op grond waarvan werd geoordeeld dat er sprake was van een concreet aanwijsbare aanleiding om te veronderstellen dat de WMM wordt overtreden of dreigt te worden overtreden. Van zo’n situatie is geen sprake als [eiser] alleen op basis van zijn aanmerking als VRS wordt gefouilleerd of als op basis daarvan de auto waarin hij rijdt wordt onderzocht. Ook de wetsgeschiedenis rechtvaardigt geen andere conclusie; daaruit valt niet af te leiden dat de wetgever de bedoeling heeft gehad op grond van de WWM de ruime bevoegdheden toe te kennen die de Staat zichzelf nu wel toekent. De voorzieningenrechter acht in dit verband relevant dat voor de inzet van zogenaamd preventief fouilleren in zogeheten veiligheidsrisicogebieden specifieke wettelijke bepalingen gelden. Op grond van de artikelen 151b of 174b van de Gemeentewet kan een bepaald gebied als veiligheidsrisicogebied worden aangemerkt, waarna de officier van justitie op grond van artikel 51 en Pro 52 WWM kan bepalen dat in zo’n veiligheidsrisicogebied de bevoegdheid om een vervoermiddel te doorzoeken of iemand te fouilleren tegen eenieder – en dus zonder dat sprake is van een op de persoon gerichte redelijkerwijze aanleiding – die zich in het veiligheidsrisicogebied bevindt kan worden uitgeoefend. De wetgever achtte specifieke wettelijke bepalingen voor doorzoeken van auto’s en fouilleren zonder een op de persoon die aan die bevoegdheden wordt onderworpen gerichte concrete aanleiding noodzakelijk. De aanduiding van een veiligheidsrisicogebied en de daaruit voortvloeiende inbreuken op grondrechten zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder ingrijpend dan de maatregel waar [eiser] thans aan wordt onderworpen. Immers, de bevoegdheden kunnen in een veiligheidsrisicogebied weliswaar jegens eenieder die zich in het gebied bevindt worden ingezet, maar de bevoegdheden mogen slechts voor een termijn van maximaal twaalf uur worden in gezet in een specifiek gebied. Dit terwijl jegens [eiser] de bevoegdheden gedurende zes maanden en overal in Rotterdam – en in de rest van Nederland, zo begrijpt de voorzieningenrechter op basis van de toelichting van de Staat ter zitting op dit punt – kunnen worden ingezet. Nu voor de minder ingrijpende inzet van de bevoegdheden om te fouilleren en tot onderzoek van een auto in een veiligheidsrisicogebied over te gaan ook volgens de wetgever een wettelijke basis vereist is, kan niet worden aangenomen dat de WWM wettelijke basis biedt om [eiser] alleen omdat hij is aangemerkt als VRS te allen tijde te mogen fouilleren of de auto waarin hij rijdt te doorzoeken.