Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2021 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Namens verweerder zijn [B] en drs. [C] verschenen.
Overwegingen
€ 724.953. Deze teruggaven zijn bij beschikkingen van 10 mei 2019 en 30 augustus 2019 verleend. De aanvullende teruggaven waarom eiseres in de bezwaren tegen die beschikkingen heeft verzocht, zien op kosten die betrekking hebben op het combibad, de ijshal en het indoorsportcentrum.
Geschil5. In geschil is of eiseres recht heeft op teruggaaf van de omzetbelasting die aan haar in het eerste en tweede kwartaal 2019 in rekening is gebracht met betrekking tot het combibad, de ijshal en het indoorsportcentrum (gezamenlijk: de sportaccommodaties). Meer specifiek is in geschil of eiseres een beroep kan doen op het overgangsrecht (het overgangsrecht) bij de wijziging per 1 januari 2019 van artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (de sportvrijstelling). Tussen partijen is niet in geschil dat zonder toepassing van het overgangsrecht eiseres vanaf 1januari 2019 geen recht heeft op aftrek van omzetbelasting die na 1 januari 2019 aan haar in rekening is gebracht met betrekking tot de sportaccommodaties.
dat dit het geval was. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de staatssecretaris de vragen heeft beantwoord in zijn rol als medewetgever en niet in die van uitvoerder van de desbetreffende regelgeving [7] . Ook in de Vragen en Antwoorden VWS is nergens vermeld dat de voorwaarde van een koop-/aannemingsovereenkomst is komen te vervallen. Daarbij komt dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geen belastingheffende taak heeft. Dit betekent dat zijn uitlatingen alleen vertrouwen kunnen wekken als hij een taak heeft bij de handhaving (uitvoering) van de desbetreffende belastingwet [8] wat hier niet het geval is.