Eiser, geboren in Nederland en houder van de Marokkaanse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht per 1 december 2016 vanwege een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling voor meerdere misdrijven, waaronder opiumdelicten en wapendelicten. Tevens werd een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Verweerder handhaafde deze besluiten en wees het bezwaar van eiser af.
Eiser voerde aan dat intrekking met terugwerkende kracht niet mogelijk is en stelde dat verweerder hem had moeten waarschuwen voor de gevolgen van zijn strafrechtelijke veroordeling. Ook betoogde hij dat de intrekking en het inreisverbod disproportioneel zijn gezien zijn langdurige verblijf in Nederland en dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door eerst de intrekking te beslissen en daarna pas zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning onbepaalde tijd af te wijzen.
De rechtbank oordeelde dat intrekking met terugwerkende kracht mogelijk is volgens vaste jurisprudentie en dat de wettelijke bepalingen omtrent intrekking en aanvraag elkaar niet uitsluiten. De belangenafweging en motivering van verweerder waren toereikend, waarbij ook het belang van de openbare orde werd meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard, mede omdat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en eiser voldoende is gehoord.
De rechtbank bevestigde dat het opleggen van het inreisverbod en de intrekking van de vergunning proportioneel zijn en dat er geen sprake is van détournement de pouvoir. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 11 mei 2021.