ECLI:NL:RBDHA:2021:4805
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag volgens de Dublinverordening.
De rechtbank overweegt dat de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat plaatsvindt aan de hand van de criteria uit de Dublinverordening en niet op basis van de intentie van de vreemdeling. De stelling van eiser dat hij onder dwang in Italië vingerafdrukken heeft moeten afgeven, leidt niet tot een ander oordeel. Klachten hierover dienen bij de Italiaanse autoriteiten te worden ingediend.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing zou zijn vanwege slechte opvangomstandigheden in Italië, onderbouwd met een AIDA-rapport. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak dat verweerder in redelijkheid mag uitgaan van naleving van verdragsverplichtingen door Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft afgezien van het onverplicht in behandeling nemen van de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard.