ECLI:NL:RBDHA:2021:3143
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid beroep en instandhouding rechtsgevolgen bij Dublinbesluit over Oostenrijk
Eiser stelde beroep in tegen het besluit van 15 februari 2021 waarbij Nederland de asielaanvraag niet in behandeling nam omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is omdat het besluit niet tijdig aan eiser was bekendgemaakt; het was naar een oud faxnummer gestuurd, waardoor eiser geen zienswijze kon indienen.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege het zorgvuldigheidsgebrek in de voornemenprocedure. Desondanks liet zij de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser in Oostenrijk vingerafdrukken had afgegeven en Oostenrijk het verzoek tot terugname had aanvaard.
Eiser voerde aan dat Nederland op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening het verzoek tot behandeling had moeten overnemen vanwege familiebanden, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder dit terecht niet had toegepast, mede omdat gezinshereniging via Dublin niet aan de orde is en er geen bijzondere omstandigheden waren.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan eiser en wees erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.