ECLI:NL:RBDHA:2021:16947
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatig verblijf en verwijderingsmaatregel EU-burger zonder arbeidsverleden
Eiser, een Poolse EU-burger, verbleef sinds 2016 in Nederland zonder arbeidsverleden, inkomen of studie en werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aangemerkt als niet-rechtmatig verblijvend op grond van de Verblijfsrichtlijn en het Vreemdelingenbesluit 2000.
De politie had twijfels over zijn verblijfsrecht vanwege een zwervend bestaan en herhaalde politiecontacten. Eiser voerde aan dat hij door onrechtmatige vreemdelingenbewaring en het niet terugkrijgen van zijn paspoort niet in staat was werk te zoeken, maar kon dit niet aantonen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij werk zocht of een reële kans had op werk.
De belangenafweging, waarbij het privéleven van eiser in Nederland werd meegewogen tegen het belang van de staat, viel in het nadeel van eiser uit vanwege zijn beperkte banden met Nederland en sterke banden met Polen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het verblijf als niet-rechtmatig heeft vastgesteld en de verwijderingsmaatregel mocht opleggen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en een juiste belangenafweging.