ECLI:NL:RBDHA:2021:16597
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek wegens onvoldoende bewijs feitelijke toegankelijkheid medische zorg in Rusland
Eiser verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege medische redenen. Verweerder wees dit verzoek af, gebaseerd op een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat stelde dat noodzakelijke medische behandeling in Rusland beschikbaar is en dat eiser kan reizen mits fysieke overdracht geregeld wordt.
Eiser betwistte de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de zorg in Rusland en voerde aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de mogelijkheid van overdracht en alternatieve landen zoals Irak. Tevens stelde eiser dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet kon aantonen met originele documenten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn vergewisplicht had voldaan door het BMA-advies zorgvuldig te betrekken en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd die twijfel aan de juistheid van het advies rechtvaardigen. Omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aannemelijk had gemaakt en niet voldeed aan de uitzondering voor bewijsnood, hoefde verweerder niet verder te onderzoeken of de medische zorg in Rusland daadwerkelijk ontoegankelijk was.
De rechtbank verwierp ook het argument van eiser dat de hoorplicht was geschonden en concludeerde dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.