ECLI:NL:RBDHA:2021:16462
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 reisbeperkingen en onvoldoende binding
Eisers, een moeder en haar neef van Pakistaanse nationaliteit, vroegen op 20 september 2019 een visum kort verblijf aan om een familielid te bezoeken. De aanvraag werd op 4 november 2019 afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het doel en twijfel over het vertrek uit de EU.
In bezwaar werd het besluit op 15 april 2020 gehandhaafd, nu ook met de nieuwe grond dat eisers een bedreiging voor de volksgezondheid vormen vanwege de COVID-19-pandemie en de bijbehorende reisbeperkingen. Eisers voerden aan dat het bestreden besluit niet als heroverweging kon gelden, dat het evenredigheidsbeginsel en het fair play beginsel werden geschonden, en dat zij onterecht niet zijn gehoord.
De rechtbank oordeelt dat de wijziging van de grondslag binnen de heroverweging past, dat het besluit niet onrechtmatig is omdat de reisbeperkingen op dat moment nog golden, en dat het horen niet verplicht was omdat eisers niet tot een uitzonderingscategorie behoorden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.