ECLI:NL:RBDHA:2021:15842
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende belangenafweging
Eiseres, van Zweedse nationaliteit, heeft vanaf 2 januari 2019 in Nederland verbleven en sinds 7 mei 2019 een bijstandsuitkering ontvangen. Verweerder stelde vast dat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat zij niet als economisch actief of niet-actief kon worden aangemerkt.
Na bezwaar verklaarde verweerder dit ongegrond en handhaafde het besluit. Eiseres voerde aan dat zij vanwege haar zorgtaken en de situatie van haar echtgenoot niet kon werken en dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en die van haar kinderen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de belangen van de Nederlandse staat en die van eiseres zorgvuldig had afgewogen, waarbij onder meer werd meegewogen dat eiseres niet had gezocht naar werk en dat haar verblijf kort was voordat zij een uitkering ontving. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht had afgezien van een hoorzitting, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep op het arrest Sacko en de hoorplicht faalde, evenals het betoog dat verweerder ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro had moeten beoordelen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit dat zij geen rechtmatig verblijf heeft, blijft in stand.