ECLI:NL:RBDHA:2021:15702
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken procesbelang na vertrek asielzoeker
Verzoeker, een Tunesische asielzoeker, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 12 maart 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens werd geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend, een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 26 april 2021 in Amersfoort, waar partijen niet verschenen, werd vastgesteld dat verzoeker met onbekende bestemming was vertrokken en geen contact meer onderhield met zijn gemachtigde. Hierdoor werd geconcludeerd dat verzoeker geen prijs meer stelde op de bescherming die hij aanvankelijk zocht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker daardoor geen rechtens te beschermen belang meer had bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van procesbelang omdat verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.