ECLI:NL:RBDHA:2021:14067
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wegens onvoldoende belangenafweging
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen omdat eiser niet over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikt en niet vrijgesteld is van het mvv-vereiste. Tevens is een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser betoogt dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in zijn voordeel uitvalt vanwege zijn langdurige verblijf en integratie in Nederland, en dat het inreisverbod onterecht is opgelegd. De rechtbank oordeelt dat verweerder alle relevante feiten heeft meegewogen en dat het besluit niet onredelijk is. Het langdurige verblijf en sociale contacten wegen niet zwaarder dan het feit dat eiser nooit een verblijfsvergunning heeft gehad en dat hij in 1993 is uitgezet.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat het inreisverbod terecht is opgelegd. Ook is geen schending van de hoorplicht vastgesteld. De rechtbank sluit een proceskostenveroordeling uit.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod bevestigd.