Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2021 in de zaak tussen
Stichting Inlichtingenbureau, te Utrecht, eiseres
[derde-partij], te [woonplaats] (hierna: de werkneemster),
Rechtbank Den Haag
De werkneemster meldde zich in november 2016 arbeidsongeschikt na een hersenletsel door een fietsongeval. Eiseres startte re-integratieactiviteiten met een geleidelijke urenopbouw, maar verweerder stelde dat deze opbouw te traag en niet tijdcontingent was, waardoor eiseres haar re-integratieverplichtingen niet nakwam.
De rechtbank constateerde dat eiseres zorg droeg voor aangepaste werkomstandigheden en regelmatig overleg voerde, maar dat het tempo van urenopbouw onvoldoende was om als tijdcontingent te gelden. De bedrijfsarts had een beperking van 10 uur per week vastgesteld, maar deze uren werden niet gehaald. De rechtbank volgde verweerder in de conclusie dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren zonder deugdelijke grond.
Het bestreden besluit bleek echter onvoldoende gemotiveerd, met onduidelijkheid over het standpunt van verweerder en onvoldoende onderbouwing van het oordeel dat de urenopbouw niet tijdcontingent was. Daarom werd het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven gehandhaafd vanwege de toelichting tijdens de zitting.
Vergoeding van schade werd afgewezen omdat eiseres niet aan haar verplichtingen had voldaan. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en reiskosten van eiseres en de derde-partij, maar wees verzoeken om verletkosten en deskundigenkosten af.
De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke en volledige motivering van besluiten, ook bij complexe re-integratiegeschillen, en bevestigt dat onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond gevolgen kunnen hebben voor loondoorbetalingsverplichtingen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege onvoldoende re-integratieverplichtingen van eiseres.