Uitspraak
1.AWB 11/40274.
- een rapport van godsdienstpsycholoog Van Saane van 31 mei 2015;
- een verklaring van ICF van 5 februari 2017;
- een verklaring van de [kerk] van 13 juli 2018; en
- een verklaring van [stichting] van 30 november 2018.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Iraanse nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend met als grondslag zijn bekering tot het christendom en een vermeende geloofsverdieping. Na eerdere afwijzingen en bevestigingen door hogere instanties, diende hij in 2019 een nieuwe aanvraag in, die door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat er geen nieuwe relevante elementen waren.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende concreet en persoonlijk had verklaard over zijn geloofsgroei en verdieping. De door eiser overgelegde verklaringen van derden werden niet als novum beschouwd, mede omdat deze informatie al in eerdere procedures was aangevoerd. Daarnaast werden de dreigementen van familieleden niet als objectief verifieerbaar beschouwd en ontbrak het aan aanvullende bewijs.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht strengere eisen mocht stellen aan de geloofwaardigheid van de bekering, gezien de eerdere ongeloofwaardigheid. De voorbeelden van gedragsverandering waren onvoldoende concreet en inzichtelijk om de geloofwaardigheid te ondersteunen. De aanvraag werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen.