ECLI:NL:RBDHA:2021:11345
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen tegen navorderingsaanslagen en vergrijpboetes hypotheekrenteaftrek
Eiseres en haar ex-echtgenoot hadden gezamenlijk een pand gekocht dat deels als eigen woning en deels als verhuurde bovenwoning werd gebruikt. Verweerder legde navorderingsaanslagen en vergrijpboetes op wegens onjuiste hypotheekrenteaftrek en eigenwoningschuldverdeling over de jaren 2013 tot en met 2016. Na bezwaar werden de aanslagen verminderd, maar eiseres stelde beroep in tegen de uitspraken op bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk zijn, maar ongegrond omdat eiseres geen lagere belastbare inkomens uit werk en woning heeft gesteld dan in haar aangiften. De rechtbank behandelt de beroepsgronden over kwade trouw, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel en wijst deze af. Er is geen sprake van opzettelijke onjuiste aangiften of schending van zorgvuldigheid door verweerder.
De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding wegens late verstrekking van het hypotheekdossier af, omdat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat de fiscale correcties terecht zijn en dat de vergrijpboetes vernietigd worden wegens ontbreken van kwade trouw.
Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de navorderingsaanslagen en vergrijpboetes worden ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.