ECLI:NL:RBDHA:2021:10139
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende doel en coronamaatregelen
Eisers, van Iraanse nationaliteit, vroegen op 2 maart 2020 een visum kort verblijf aan om familie te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en redelijke twijfel over het vertrek uit de EU. Daarnaast werd het bezwaar ongegrond verklaard, mede vanwege de COVID-19-pandemie en de daarmee samenhangende tijdelijke reisbeperkingen.
Eisers voerden aan dat het bestreden besluit op een andere juridische grondslag was gebaseerd en dat het evenredigheidsbeginsel, het fair play beginsel en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat de Minister een volledige heroverweging heeft uitgevoerd en de coronamaatregelen als nieuwe relevante omstandigheid mocht meenemen. De bezwaren tegen het besluit faalden omdat de reisbeperkingen op dat moment nog van kracht waren en het besluit niet onrechtmatig was.
Verder stelde de rechtbank vast dat eisers niet tot een uitzonderingscategorie behoorden die recht geeft op toegang tot het grondgebied, zodat een hoorzitting niet noodzakelijk was. De rechtbank concludeerde dat de afwijzingsgronden afzonderlijk voldoende waren en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel en geldende coronamaatregelen.