ECLI:NL:RBDHA:2020:9095
Rechtbank Den Haag
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting van vreemdelingenbewaring na zes maanden zonder verzwaarde belangenafweging
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is sinds 8 maart 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De maatregel van bewaring werd op 12 mei 2020 opgelegd en duurde voort. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel na zes maanden, waarbij verweerder verplicht was een verzwaarde belangenafweging te maken. De rechtbank stelde vast dat verweerder deze verzwaarde belangenafweging niet schriftelijk had vastgelegd, zoals vereist volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Verweerder voerde aan dat de termijn van zes maanden nog niet was bereikt, omdat een deel van de bewaring niet op uitzetting gericht was. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat alle perioden van inbewaringstelling moeten worden betrokken bij de belangenafweging.
De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de bewaring vanaf 4 september 2020 onrechtmatig was en beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.120,- voor veertien dagen verblijf toe en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.050,-.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens ontbreken van een verzwaarde belangenafweging en kent een schadevergoeding toe.