ECLI:NL:RBDHA:2020:8796
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening stimuleringspremie wegens geen evident onredelijke uitkomst
Eiser heeft van 1 juni 2014 tot 1 mei 2016 gebruikgemaakt van de levensloop- en verlofspaarregeling en is in 2014 na 45 jaar dienstverband bij de Belastingdienst met pensioen gegaan. Zijn verzoek om ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie werd in 2016 afgewezen en deze afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar.
Eiser verzocht in 2019 om herziening van het besluit, verwijzend naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) die het standpunt van verweerder over de levensloopregeling en stimuleringspremie onjuist achtte. Verweerder handhaafde de afwijzing met het argument dat rechterlijke uitspraken geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en het besluit niet evident onredelijk is.
De rechtbank overweegt dat de CRvB inderdaad een onjuiste uitleg van de regeling heeft vastgesteld, maar dat dit niet automatisch leidt tot een evident onredelijke situatie. Het betoog van eiser dat de afwijzing evident onredelijk is, wordt verworpen omdat het besluit niet is gericht op leedtoevoeging en eiser professionele rechtsbijstand had en geen rechtsmiddelen tegen het eerdere besluit heeft benut.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot herziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot herziening van de stimuleringspremie wordt afgewezen.