ECLI:NL:RBDHA:2020:8214
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning zelfstandige zonder geldige mvv
Verzoeker, een Turkse staatsburger, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige bij een restaurant. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste.
Verzoeker stelde in bezwaar dat hij wel aan de voorwaarden voldoet en een onderbouwd ondernemingsplan had ingediend, inclusief certificaten van zijn kwaliteiten als kok. Tevens voerde hij aan dat het besluit strijdig is met het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, en dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn nauwe sociale banden in Nederland en de onmogelijkheid om terug te keren naar Turkije.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht kon verlangen dat verzoeker aanvullende stukken, zoals een uittreksel uit het Handelsregister, overlegt. Het ondernemingsplan bevatte onvoldoende concrete markt- en concurrentieanalyse en onderbouwing van de werkervaring en financiële cijfers. Ook was het beroep op het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro onvoldoende onderbouwd. Het opgelegde terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken was wettelijk en terecht.
Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.