ECLI:NL:RBDHA:2020:7990
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herroeping afwijzing verblijfskaart op grond van artikel 10 Werknemersverordening en vergoeding proceskosten
Eisers, Poolse staatsburgers en moeder met twee minderjarige kinderen, vroegen om een EU-verblijfskaart op grond van artikel 9, lid 1, van de Vreemdelingenwet. Verweerder wees dit in eerste instantie af omdat geen rechtmatig verblijf werd geacht te bestaan. Later werd dit besluit herroepen en een verblijfskaart toegekend, maar het verzoek om vergoeding van proceskosten werd afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat eisers ten tijde van het primaire besluit rechtmatig verblijf hadden op grond van artikel 10 van Pro de Werknemersverordening. De moeder had gedurende een periode van twaalf weken daadwerkelijk arbeid verricht, en de kinderen waren woonachtig in Nederland en gingen naar school. Dit gaf de kinderen een zelfstandig verblijfsrecht en de moeder een afgeleid verblijfsrecht.
Verder stelde de rechtbank vast dat de verwijderingsmaatregel in het primaire besluit zonder voorafgaande belangenafweging was opgelegd, wat onrechtmatig is. De rechtbank vernietigt daarom het deel van het bestreden besluit dat het proceskostenverzoek afwees, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het beroep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt finaal beslecht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten wegens onrechtmatigheid van het primaire besluit.