ECLI:NL:RBDHA:2020:7884
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige arbeid
Verzoeker, een Turkse nationaliteit dragende persoon, diende op 10 maart 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige bij een fastfood- en afhaalrestaurant. De aanvraag werd op 31 maart 2020 afgewezen omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste.
Verzoeker stelde in bezwaar dat hij wel aan de voorwaarden voldeed en dat het besluit onzorgvuldig was genomen zonder hem te horen. Hij voerde aan dat hij voldoende ervaring en een ondernemingsplan had, en dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro. Tevens deed hij een beroep op de hardheidsclausule en betwistte de opgelegde vertrektermijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht kon verlangen dat verzoeker een uittreksel van de Kamer van Koophandel overlegt en dat het ondernemingsplan onvoldoende concreet was. Ook was het beroep op het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro onvoldoende onderbouwd. De vertrektermijn van vier weken was volgens de rechter wettelijk en redelijk. Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen, waarna het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.