ECLI:NL:RBDHA:2020:7608
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep inzake inzage persoonsgegevens op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens
Eiser verzocht op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) inzage in zijn persoonsgegevens bij de Technische Universiteit Delft. Verweerder verstrekte een kopie van het persoonsdossier en bood inzage op locatie aan, met uitzondering van persoonlijke werkaantekeningen van studieadviseurs. Eiser betwistte dat hij volledige inzage had gekregen en stelde dat documenten ontbraken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de Wbp door een kopie te verstrekken en inzage te bieden, hetgeen ook werd bevestigd door een gespreksverslag van de studieadviseur. Eiser maakte onvoldoende aannemelijk dat er meer persoonsgegevens zijn dan verstrekt, mede omdat verweerder onderzoek had gedaan en aannemelijk had gemaakt dat niet alle gegevens waren overgezet van een oud opslagsysteem.
Daarnaast kon de rechtbank stukken die alleen zij mocht inzien niet betrekken bij de beoordeling omdat eiser geen toestemming had gegeven. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit op goede gronden berust en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat verweerder voldoende inzage heeft gegeven in de persoonsgegevens.