ECLI:NL:RBDHA:2020:7607
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergunning zomerterras niet in strijd met Algemene Plaatselijke Verordening
De zaak betreft een beroep van de VvE Residentie Seinpost Scheveningen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouder van Den Haag om een vergunning te verlenen voor een zomerterras bij restaurant Seinpost Indonesia. Eisers stelden dat de vergunning onterecht was verleend omdat de grond niet tot het appartementsrecht van de vergunninghouder behoort en dat het terras in strijd is met het bestemmingsplan en de APV.
De rechtbank overwoog dat de parasols van de vergunninghouder boven grond hangen die eigendom is van de VvE, maar dat dit een privaatrechtelijke kwestie betreft. De vergunninghouder handelt volgens de rechtbank in strijd met het bestemmingsplan door horeca-activiteiten op een binnenplaats met woonbestemming te ontplooien, maar dit is geen grond voor weigering van de terrasvergunning. De rechtbank benadrukte dat de toetsing van een terrasvergunning beperkt is tot de criteria van artikel 2:10, derde lid, van de APV.
De vermeende hinder zoals geluidsoverlast en geurhinder valt niet onder de weigeringsgronden van de APV en kan worden aangepakt via handhaving openbare orde of exploitatievergunning. De rechtbank concludeerde dat de vergunning terecht is verleend en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de VvE tegen de verleende zomerterrasvergunning wordt ongegrond verklaard.