ECLI:NL:RBDHA:2020:709
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning regulier na sepot mensenhandel niet onrechtmatig
Eiseres, met de Ugandese nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier onder tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van mensenhandel. Na een sepotbeslissing van de officier van justitie op 22 december 2017, waarbij vervolging werd uitgesloten, trok de staatssecretaris haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in tot die datum. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat de sepotbeslissing niet correct was bekendgemaakt, waardoor zij geen klacht kon indienen volgens artikel 12 Sv Pro.
De rechtbank oordeelde dat eiseres wel degelijk procesbelang had, omdat de verblijfsvergunning regulier een eerdere ingangsdatum had dan haar asielvergunning. Verder werd vastgesteld dat eiseres op tijd in het bezit was van de sepotbeslissing en dus binnen de termijn een klacht had kunnen indienen. Ook zou een eventuele klacht niet leiden tot het behoud van de vergunning, omdat een klacht niet gelijk staat aan een strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking terecht was en dat het bezwaar ongegrond verklaard mocht worden. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.