ECLI:NL:RBDHA:2020:6123
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op afgeleid verblijfsrecht als derdelander-ouder op grond van EU-recht
Eiser, een Somalische nationaliteit dragende derdelander, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af te wijzen. Eiser stelt dat hij als ouder van minderjarige Nederlandse kinderen een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en beroept zich op het arrest Chavez-Vilchez.
De staatssecretaris heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en betoogt dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het genoemde EU-recht en dat de kinderen van eiser niet gedwongen worden de Europese Unie te verlaten omdat zij zich met hem in Spanje kunnen vestigen. Eiser voert aan dat zijn verblijfsvergunning in Spanje inmiddels is verlopen en dat vestiging in Spanje geen reële optie is, mede vanwege de Nederlandse nationaliteit van zijn kinderen.
De rechtbank oordeelt dat ten tijde van het bestreden besluit eiser nog rechtmatig verblijf had in Spanje en dat de kinderen van eiser daardoor niet worden gedwongen de EU te verlaten. De rechtbank wijst erop dat de ex-tunc toets in beroep niet toelaat om de inmiddels verlopen verblijfsvergunning mee te wegen. Ook is onvoldoende gebleken dat het verblijfsrecht in Spanje daadwerkelijk is beëindigd. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt, omdat dit niet kan leiden tot afgifte van het gevraagde document. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.