ECLI:NL:RVS:2016:179
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan en toepassing EU-burgerschapsrecht
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag door een vreemdeling om afgifte van een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bevestigt, op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd.
De staatssecretaris stelde dat de rechtbank ten onrechte de aanvraag te beperkt had opgevat en dat de vreemdeling, indien zij verblijf wilde op basis van artikel 8 EVRM Pro, een andere aanvraag had moeten indienen. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit niet correct had beoordeeld en dat de aanvraag juist beperkt was tot het document bedoeld in artikel 9 Vw Pro 2000.
Daarnaast klaagde de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet had geoordeeld over haar beroep op artikel 20 VWEU Pro, het EU-burgerschapsrecht. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en behandelde zelf de materie. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het recht op verblijf op grond van artikel 20 VWEU Pro slechts in beperkte mate bescherming biedt, en dat het recht op gezinsleven vooral via andere internationale en nationale regelingen wordt beschermd.
De Raad concludeerde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar echtgenoot, een EU-burger, gedwongen zou worden de Unie te verlaten indien aan haar geen verblijfsrecht wordt toegekend. Ook was niet gebleken dat de zorg voor het kind van de echtgenoot niet adequaat geregeld was. Daarom was het beroep ongegrond en werd het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.