ECLI:NL:RBDHA:2020:5771
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinterugname naar Duitsland
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 5 december 2019 een asielaanvraag in Nederland in nadat hij eerder in Duitsland asiel had aangevraagd. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat door Duitsland was aanvaard.
Eiser voerde aan dat verweerder in strijd had gehandeld met artikel 34 en Pro artikel 23 lid 4 van Pro de Dublinverordening door niet te vermelden dat zijn echtgenote in Nederland verbleef, wat volgens hem de verantwoordelijkheidsbepaling beïnvloedde. De rechtbank oordeelde dat deze artikelen niet van toepassing waren omdat Nederland geen verzoek om informatie had gedaan en de verantwoordelijkheidsbepaling reeds had plaatsgevonden. Bovendien was Duitsland reeds op de hoogte van het verblijf van de echtgenote.
Verder stelde eiser dat verweerder zijn aanvraag onterecht niet aan zich had getrokken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege de afhankelijkheid van zijn echtgenote en hun kinderwens. De rechtbank vond dat verweerder dit standpunt voldoende had gemotiveerd en dat de omstandigheden geen bijzondere individuele redenen vormden om af te wijken.
Tot slot wees de rechtbank het beroep af omdat het tijdelijke overdrachtsbeletsel door het coronavirus de vaststelling van Duitsland als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig maakte. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.