Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
ProcesverloopBij besluit van 3 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.
Overwegingen
6 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2623) overwogen dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat Koptische christenen in Egypte niet hoeven te worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Koptische christenen kunnen zich in het algemeen aan eventueel dreigend geweld of mensenrechtenschendingen onttrekken door zich elders in Egypte te vestigen. In gelijke zin heeft de Afdeling dit geoordeeld in haar uitspraak van 5 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:7). De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in zijn verweerschrift terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de door eiser overgelegde stukken, hoewel deze dateren van na de uitspraken van de Afdeling, niet volgt dat de veiligheidssituatie in Egypte voor Koptische christenen zodanig is verslechterd dat eiser reeds in verband met zijn geloofsovertuiging of zijn christelijke afkomst te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft gelet op het vorenstaande dan ook geen aanleiding hoeven zien om in afwachting van een nieuw algemeen ambtsbericht onderhavige zaak aan te houden.