ECLI:NL:RBDHA:2020:4411
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging opvang onrechtmatig verblijvende vreemdeling met zwaar inreisverbod
Eiser, een onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling met een zwaar inreisverbod van tien jaar, verbleef jarenlang in gemeentelijke opvangvoorzieningen zoals bed-bad-brood en de Tijdelijke Opvang Ongedocumenteerden (TOO). Verweerder beëindigde de opvang per 3 maart 2020 op grond van het Uitvoeringsplan Programma Vreemdelingen, waarin vreemdelingen met een zwaar inreisverbod worden uitgesloten van opvang.
Eiser stelde dat verweerder verantwoordelijk is voor het bewaken van zijn humanitaire ondergrens en dat het inreisverbod onterecht is opgelegd. Tevens voerde hij aan dat hij vanwege zijn langdurige verblijf in Nederland niet verplicht is zich te melden bij de staatssecretaris voor terugkeer en dat het categorisch uitsluiten van vreemdelingen met een zwaar inreisverbod ongerechtvaardigd is.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris verantwoordelijk is voor de opvang van onrechtmatig verblijvende vreemdelingen en dat het Programma Vreemdelingen buitenwettelijk begunstigend beleid betreft dat slechts marginaal getoetst kan worden. Verweerder handelde in overeenstemming met het beleid door eiser de opvang te beëindigen, aangezien hij niet tot de doelgroep van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening behoort.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank wees tevens het verzoek om griffierechtvrijstelling toe vanwege betalingsonmacht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, waarmee de beëindiging van de opvang wordt bevestigd.