ECLI:NL:RBDHA:2020:3978
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rente over niet-opeisbare vordering telt als inkomen uit vermogen bij bijstandsuitkering
Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering en erfde een niet-opeisbare vordering van €100.000,- waarvan zij een derde deel bezit. De rente over deze vordering, €111,11 per maand, werd door verweerder als inkomen aangemerkt en op haar uitkering in mindering gebracht.
Eiseres betoogde dat zolang de vordering niet opeisbaar is, de rente als vermogen moet worden gezien en niet als inkomen dat verrekend mag worden. Subsidiair stelde zij dat een deel van de rente vrijgelaten moet worden op grond van de Participatiewet.
De rechtbank oordeelde dat de rente vrijelijk door eiseres kan worden besteed en daarom als inkomen uit vermogen geldt. De niet-opeisbare vordering zelf wordt niet als vermogen aangemerkt zolang zij er niet over kan beschikken. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de rente over de niet-opeisbare vordering als inkomen uit vermogen op de bijstandsuitkering mag worden verrekend.