ECLI:NL:RBDHA:2020:3925
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling met langdurig verblijf in Nederland, kreeg zijn verblijfsvergunning ingetrokken omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland zou hebben gevestigd. Verweerder stelde vast dat eiser van november 2013 tot april 2017 niet in Nederland stond ingeschreven en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat deze periode buiten zijn schuld was.
Eiser voerde aan dat hij psychische problemen had en in Turkije gedwongen was opgenomen in een psychiatrische kliniek, waardoor hij niet kon handelen als een redelijk denkend persoon. Tevens stelde hij dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn familie- en sociale banden in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldoende bewijs had geleverd van gedwongen opname in de relevante periode en dat de overgelegde medische stukken van vóór de periode dateren. Nieuwe Turkse stukken werden niet toegelaten omdat deze te laat werden ingediend. Ook de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro viel in het nadeel van eiser uit, mede omdat hij uit eigen beweging vertrok en geen onderbouwing gaf voor het tegendeel.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht was genomen en dat het terugkeerbesluit terecht onderdeel was van de intrekking. De hoorplicht werd niet geschonden omdat geen nieuwe feiten of stukken waren ingebracht in bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wegens verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt ongegrond verklaard.