ECLI:NL:RBDHA:2020:2498
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verantwoordelijkheid Nederland voor asielaanvraag na verstreken overdrachtstermijn ondanks bezwaar
Eiseres diende op 26 april 2019 een asielaanvraag in Nederland in, terwijl zij eerder op 5 maart 2017 in Italië internationale bescherming had gevraagd. Nederland verzocht Italië om haar terug te nemen, maar Italië reageerde niet binnen de wettelijke termijn van twee weken, waardoor Italië verantwoordelijk bleef. De overdrachtstermijn van zes maanden begon op 19 juni 2019 en zou op 19 december 2019 verstrijken.
Eiseres maakte bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning, maar diende geen verzoek om voorlopige voorziening in om de overdracht op te schorten. De staatssecretaris stelde dat het bezwaar de overdrachtstermijn opschortte op grond van beleidsregels, maar de rechtbank oordeelde dat dit beleid niet op wettelijke grondslag berust en dat de Dublinverordening alleen opschorting toestaat bij een verzoek tot voorlopige voorziening.
De rechtbank concludeerde dat de overdrachtstermijn niet was opgeschort en op 19 december 2019 was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk werd voor de behandeling van de asielaanvraag. Het beroep van eiseres werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.