ECLI:NL:RBDHA:2020:14819

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 oktober 2020
Publicatiedatum
9 juni 2021
Zaaknummer
NL20.18270
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende vreemdeling, is sinds 5 september 2020 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en verklaarde deze toen rechtmatig.

Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is vanwege onduidelijkheid over de duur van de laissez passer-aanvraag en de coronapandemie. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkte en dat hij ernstig was mishandeld in detentie, wat een nieuwe belangenafweging zou rechtvaardigen.

Verweerder stelde dat de maatregel rechtmatig is, dat er zicht op uitzetting is omdat de Tunesische autoriteiten geen weigering van laissez passer hebben aangegeven, en dat er maandelijks vertrekgesprekken plaatsvinden. Het incident in detentie is volgens verweerder geen reden voor een nieuwe belangenafweging.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding is om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten. De regievoerder had niet gereageerd op het verzoek tot nieuwe belangenafweging, maar dit leidde niet tot een ander oordeel. Eiser werkte onvoldoende mee aan zijn uitzetting en onderbouwde zijn stellingen niet. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.18270
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walther), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Rozema).

Procesverloop

Verweerder heeft op 16 september 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Tunesische nationaliteit heeft en is geboren op [1985] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 september 2020 (in de zaak NL20.17091) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep
wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Het is volgens eiser onduidelijk hoe lang de aanvraag om een laissez passer (lp) zal gaan duren en of en wanneer een lp verstrekt zal worden. Mede gelet op de toename van het aantal corona besmettingen, moet worden aangenomen dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Verder blijkt volgens eiser dat er tot nu toe slechts twee vertrekgesprekken, op 9 en 18 september 2020, zijn gevoerd met eiser. Omdat eiser sinds 5 september 2020 van zijn vrijheid is beroofd, moet volgens eiser worden aangenomen dat verweerder met onvoldoende voortvarendheid werkt aan zijn uitzetting.
Daarnaast benadruk eiser dat hij onlangs ernstig is mishandeld in het detentiecentrum te Rotterdam. Eiser merkt daarbij op dat hij daar mogelijk blijvend letsel aan heeft overgehouden. In verband daarmee is zijn regievoerder benaderd en verzocht om een nieuwe belangenafweging te maken met betrekking tot het voortduren van de maatregel van bewaring. De regievoerder heeft tot nu toe niet gereageerd op dat verzoek en niet is gebleken dat een belangenafweging is gemaakt. Gelet hierop moet worden aangenomen dat het voortduren van de maatregel niet langer gerechtvaardigd is te achten.
5. Verweerder merkt als allereerst op dat eiser van 5 september 2020 tot 16 september 2020 in bewaring was gesteld op grond van artikel 59b van de Vw. Pas na de omzetting van de inbewaringstelling op 16 september 2020 was het voor verweerder mogelijk om aan de uitzetting van eiser te werken, omdat de inbewaringstelling toen het doel kreeg om eiser uit te zetten. Op 14 oktober 2020 heeft nog een vertrekgesprek plaatsgevonden met eiser. Doordat er maandelijks een vertrekgesprek met eiser wordt gehouden en er maandelijks wordt gerappelleerd in de lopende lp-aanvraag, zodat er voldoende voortvarend wordt gehandeld aan de uitzetting. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat zicht op uitzetting aanwezig is. De Tunesische autoriteiten hebben niet aangegeven dat er geen lp zal worden afgegeven aan eiser. Omdat er geen lp of geldig paspoort voorhanden is, is het daadwerkelijk vliegen ook nog niet aan de orde en staan de reisbeperkingen nu niet in de weg aan het aannemen van het zicht op uitzetting. Verder is er slechts ruim een maand verstreken sinds aan de uitzetting kan worden gewerkt. Verweerder wijst verder op de wettelijke plicht die op eiser rust om actief medewerking te verlenen aan zijn vertrek, waaraan hij niet voldoet.
Verder brengt verweerder naar voren dat volgens de overgelegde medische informatieverstrekking er op 3 oktober 2020 een incident met eiser heeft plaatsgevonden in het decentiecentrum, waarbij hij verwondingen heeft opgelopen. Eiser heeft hiervoor een medische behandeling gehad en is in de gelegenheid gesteld om aangifte te doen. Het incident, de medische behandeling en de aangifte vallen onder detentieomstandigheden en hebben geen directe invloed op het terugkeerproces, zodat eiser met zijn klachten terecht kan bij het detentiecentrum. Verweer verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 10 december 20101. Het maken van een nieuwe belangenafweging vanwege het incident, is volgens verweerder daarom niet aan de orde.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De rechtbank verwijst allereerst naar wat zij heeft overwogen in de vorige uitspraak van 30 september 2020 (in de zaak NL20.17091)
over het zicht op uitzetting en de (tijdelijkheid van de) coronaperikelen en ziet geen aanleiding nu anders te oordelen. Daaraan voegt de rechtbank toe dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 23 september 2020 een lp-aanvraag heeft ingediend bij Tunesische autoriteiten. Niet is gebleken dat de Tunesische autoriteiten al op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Eisers stelling dat het onduidelijk is hoe lang de lp-aanvraag zal gaan duren, of en wanneer een lp verstrekt zal gaan worden, leidt evenmin tot de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder voor de duur van het onderzoek afhankelijk is van de door de betreffende autoriteiten voorgestane werkwijze.
Verder blijkt dat verweerder meerdere vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser, voor het laatst op 14 oktober 2020. De rechtbank overweegt dat verweerder niet meer uitzettingshandelingen had hoeven te verrichten dan hij heeft gedaan. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel niet langer gerechtvaardigd is te achten. Dat de regievoerder niet heeft gereageerd op het verzoek van eiser om een belangenafwegingen te maken, leidt – gelet op de toelichting van verweerder – niet tot een ander oordeel. Verder zijn er geen feiten of omstandigheden die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Het eiser overkomen incident, de medische behandeling en de aangifte zijn detentieomstandigheden waarvoor eiser bij het detentiecentrum moet zijn. Verder weegt mee dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Hij heeft op geen enkele manier onderbouwd op welke wijze hij wel inspanningen heeft verricht om aan een reisdocument te komen. Ook deze omstandigheid heeft niet tot een nieuwe belangenafweging hoeven leiden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van H. Achrak, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 oktober 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.