Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2020 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 1.000.000. Daarbij is een bedrag van € 53.618 aan heffingsrente in rekening gebracht.
“2.6 Personeel en taakverdeling
“(…)
Op grond van de bevindingen van het boekenonderzoek blijkt (…) dat de vennootschappen
een deel van de omzet fiscaal niet hebben verantwoord. Dat wil zeggen dat een deel van de omzet (…) zowel niet in de aangiften vennootschapsbelasting als in de aangiften omzetbelasting is opgenomen.
Uit het boekenonderzoek blijkt onder meer (…) dat [eiser] de niet aangegeven omzet (…) in
privé heeft genoten. Het geld dat immers is genoten met de verzwegen omzet is namelijk
niet meer in de vennootschap aanwezig. Uit het onderzoek blijkt namelijk dat het (zeer)
aannemelijk is dat [eiser] de verzwegen en niet aangegeven omzet (…) in zijn hoedanigheid
van aandeelhouder heeft onttrokken uit de vennootschap.
Het is een algemene ervaringsregel en een feit van algemene bekendheid dat als een
belastingplichtige gelden onttrekt aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang
houdt, hij dit als belastbaar inkomen dient op te geven in zijn aangifte inkomstenbelasting.
(…)
In casu heeft [eiser] de niet verantwoorde omzet onttrokken aan de vennootschap waarin
hij een aanmerkelijk belang heeft en heeft vervolgens verzuimd om deze onttrekking van
gelden te verantwoorden in zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2012. Alleen al
om die reden kan het in algemeen worden aangenomen dat [eiser] de aangifte
inkomstenbelasting voor het jaar 2012 opzettelijk onjuist heeft gedaan. Dit met het bewuste
oogmerk om aldus te weinig belasting te betalen. (…)”
Beslissing
mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2020.