ECLI:NL:RBDHA:2020:12568
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht na relatiebreuk
Eiseres kreeg in 2016 een verblijfsvergunning als partner van referent. Na melding van referent dat de relatie per 1 maart 2019 was verbroken, trok verweerder de vergunning met terugwerkende kracht in. Eiseres betwistte de datum en stelde dat zij pas later uit het gezamenlijke adres vertrok, waardoor zij een verblijfsgat van zes dagen kreeg.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte geen zienswijze aan eiseres heeft gevraagd voorafgaand aan het besluit, wat een zorgvuldigheidsgebrek oplevert. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat eiseres haar standpunten alsnog in bezwaar en beroep heeft kunnen inbrengen. Eiseres kon onvoldoende tegenbewijs leveren dat de relatie later was verbroken.
De rechtbank stelde vast dat de datum van 1 maart 2019 redelijk was gebaseerd op het meldingsformulier van referent en dat de inschrijving in de Basisregistratie Personen niet leidend is voor het vaststellen van het moment van relatiebeëindiging.
Ook werd geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van het beleid rechtvaardigen, ondanks het verblijfsgat en het verlies van opgebouwde verblijfsrechten. Eiseres had tijdig actie moeten ondernemen om dit te voorkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en wees proceskosten toe aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 1 maart 2019 wordt ongegrond verklaard.