Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de Staatssecretaris van Defensie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
27 november 2020.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een voormalig dienstplichtig militair uitgezonden naar Libanon, heeft een militair invaliditeitspensioen toegekend gekregen vanwege PTSS. Hij stelde de Staatssecretaris van Defensie aansprakelijk voor schade als gevolg van deze aandoening en vorderde vergoeding van restschade na toepassing van de Uitvoeringsregeling Volledige Schadevergoeding (UVS).
De verweerder wees het verzoek om erkenning van aansprakelijkheid af, stellende dat toepassing van de UVS leidt tot volledige schadevergoeding en dat er geen restschade meer kan zijn. Eiser bleef van mening verschillen over vergoeding van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente, die volgens hem niet door de UVS worden gedekt.
De rechtbank oordeelt dat nog geen besluit is genomen over de schadevergoeding op grond van de UVS en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er restschade bestaat. Het verzoek om erkenning van aansprakelijkheid zonder concrete restschade is niet toewijsbaar. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat eiser niet in een vergelijkbare situatie verkeert als veteranen die op andere grondslagen schadevergoeding ontvingen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat nog geen besluit is genomen over volledige schadevergoeding en erkenning van aansprakelijkheid voor restschade niet toewijsbaar is.