ECLI:NL:RBDHA:2020:10524

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2020
Publicatiedatum
21 oktober 2020
Zaaknummer
NL20.10543
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 Dublinverordening
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam dit verzoek niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname bij Italië ingediend, dat door Italië werd aanvaard.

Eiser stelde dat verweerder onzorgvuldig was door in het terugnameverzoek niet te vermelden dat zijn partner en kinderen in Nederland verblijven en dat dit aanleiding zou moeten zijn om af te zien van overdracht. De rechtbank oordeelde dat verweerder slechts verplicht is informatie te verstrekken die Italië in staat stelt te beoordelen of zij verantwoordelijk is, en niet verplicht is om alle aanvullende informatie te vermelden.

De rechtbank vond dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te zien van overdracht. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.10543
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Loth), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V.M. Emechete. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1984] .
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
Eiser voert aan dat verweerder in het terugnameverzoek ten onrechte geen melding heeft gemaakt van het feit dat zijn partner en kinderen in Nederland in de nationale
asielprocedure zitten en evenmin van de door eiser naar voren gebrachte bezwaren. Het is daardoor onzorgvuldig dat verweerder vasthoudt aan het Italiaanse claimakkoord.
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.
5. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Volgens vaste rechtspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van de vreemdeling sprake is van zodanige humanitaire gronden dat het in de rede ligt om het asielverzoek van de vreemdeling over te nemen. De rechter moet die beoordeling terughoudend toetsen. Anders dan eiser stelt is verweerder, gelet op rechtspraak van de ABRvS2, slechts gehouden informatie in het terugnameverzoek te vermelden die de aangezochte lidstaat in staat stelt om te beoordelen of hij krachtens de in de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag van de vreemdeling. Verweerder is echter niet gehouden overige informatie te vermelden die voor, in dit geval, Italië aanleiding zou kunnen geven een verzoek te doen om toepassing te geven aan artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening. Dat betekent dat verweerder in het terugnameverzoek niet heeft hoeven vermelden dat eisers partner, met hun kind en zwanger van hun tweede kind, in Nederland verblijft en hier een asielverzoek heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom kunnen volstaan met de informatie die hij in het terugnameverzoek heeft vermeld. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Italië. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Uitspraak van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666
2 Uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2484

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
06 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.