ECLI:NL:RBDHA:2020:10515
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam dit verzoek niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname bij Duitsland ingediend, dat werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat verweerder het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel onvoldoende had toegepast, onder meer vanwege de coronapandemie, en dat het toetsmoment onjuist was gekozen. Hij verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank oordeelde dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een discretionaire bevoegdheid is, waarbij lidstaten beleidsvrijheid hebben. Het beleid van verweerder was niet strijdig met de verordening.
De rechtbank overwoog dat de coronapandemie een tijdelijk overdrachtsbeletsel vormt, maar dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van het besluit. De overdrachtstermijn loopt tot 30 september 2020 en er is geen bewijs dat Duitsland niet kan voldoen aan zijn verplichtingen. Eiser toonde ook niet aan dat overdracht tot schending van mensenrechten of ernstige gezondheidsachteruitgang zou leiden.
Het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel werd verworpen omdat het besluit binnen de kaders van de Dublinverordening bleef en geen sprake was van onevenredige vertraging. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.