ECLI:NL:RBDHA:2020:10454
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond tegen uitspraak over BPM-heffing en overschrijding redelijke termijn
Opposante heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak waarin de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond verklaarde met betrekking tot de heffing van BPM. De rechtbank stelde vast dat de hoorplicht was geschonden omdat geen bewijs van een hoorgesprek was geleverd, maar ging aan deze schending voorbij omdat opposante niet benadeeld was. Het geschil betrof de vraag of de BPM-heffing in overeenstemming is met het Unierecht en de bewijslastverdeling, waarbij geen verschil van mening over de feiten bestond.
De rechtbank behandelde het beroep buiten zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro, omdat het duidelijk was dat het beroep ongegrond was. Opposante voerde aan dat het beroep niet zonder zitting had mogen worden afgedaan en dat de zaak terug moest naar de inspecteur voor ambtshalve vermindering, maar dit werd verworpen. Het verzet van opposante tegen deze uitspraak werd ongegrond verklaard.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting met 8 maanden was overschreden, waardoor een schadevergoeding van € 1.000 werd toegekend, te betalen door verweerder. Tevens werd een proceskostenvergoeding van € 262,50 toegekend, met wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak tot aan de volledige betaling.
Uitkomst: Het verzet van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en een schadevergoeding van € 1.000 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.