ECLI:NL:RBDHA:2020:10453
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak inzake BPM-heffing en schending hoorplicht afgewezen
Opposante maakte bezwaar tegen de BPM-heffing en stelde dat teveel BPM was betaald. De rechtbank verklaarde het beroep op bezwaar ongegrond zonder zitting, waarbij de hoorplicht werd geschonden maar dit niet leidde tot nadeel omdat partijen het eens waren over de feiten.
De inspecteur deed verzet tegen deze uitspraak, stellende dat de hoorplicht niet was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht wel was geschonden, maar dat hieraan voorbij kon worden gegaan omdat opposante niet benadeeld was en het geschil over de toepassing van het Unierecht ging.
Opposante voerde aan dat de schending van de hoorplicht haar fundamentele rechten schond en dat de zaak terugverwezen moest worden. De rechtbank verwierp dit en bevestigde dat de vereenvoudigde procedure zonder zitting rechtmatig was en geen schending van het recht op een eerlijk proces opleverde.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting met één maand was overschreden, waarop een schadevergoeding van €500 werd toegekend en een proceskostenvergoeding van €262,50 aan opposante werd toegekend. De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot betaling van deze vergoedingen met wettelijke rente.
De uitspraak bevestigt dat de vereenvoudigde procedure in bestuursrechtelijke zaken kan worden toegepast, ook bij schending van de hoorplicht, mits geen nadeel ontstaat voor de belanghebbende en het geschil niet ziet op beleidsvrijheid van het bestuursorgaan.
Uitkomst: Het verzet van de Belastingdienst wordt ongegrond verklaard en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.