7.3Het oordeel van de rechtbank
Beoordelingskader affectieschade
Voor zover de benadeelde partijen aanspraak maken op vergoeding van zogenoemde affectieschade – schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste – wordt het volgende overwogen. Door de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht om vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Staatsblad 2018, 132), is de kring van tot schadevergoeding gerechtigden verruimd in die zin dat het voor de in artikel 6:107, tweede lid, BW en artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van slachtoffers mogelijk wordt om een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer. Artikel 51f, tweede lid, Sv is gewijzigd in die zin dat deze naasten zich in het strafproces kunnen voegen met de hier aan de orde zijnde vordering tot vergoeding van ‘affectieschade’.
De rechtbank zal beoordelen of de benadeelde partij die deze vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, tot de kring van gerechtigden behoort en of de benadeelde partij bij zijn of haar vordering aansluiting heeft gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen.
Beoordelingskader shockschade
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade, sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend
Algemene overweging met betrekking tot de vorderingen en de schadevergoedingsmaatregel
De raadsvrouw heeft allereerst verzocht tot afwijzing van de vorderingen bij gebrek aan toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte. De rechtbank verwerpt dat verweer nu de wetgever de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen in het strafproces heeft mogelijk gemaakt indien sprake is van een veroordeling tot een straf dan wel indien een maatregel wordt opgelegd en de verdachte jegens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De schadevergoeding vormt immers geen leedtoevoeging maar beoogt herstel van de rechtmatige toestand. Dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging maakt niet dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn.
Voor zover de verdediging heeft verzocht indien de rechtbank vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, niet de schadevergoedingsmaatregelen op te leggen, wijst de echtbank dat verzoek eveneens af. De rechtbank acht deze maatregel geïndiceerd als extra waarborg voor betaling. De rechtbank zal daarom ten behoeve van de benadeelde partijen aan de verdachte – voor wat betreft de toegewezen bedragen – steeds de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De rechtbank stelt vast dat het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van het handelen van de verdachte. De rechtbank stelt voorts vast dat de benadeelde partij tot de kring van gerechtigden behoort (vader van het overleden slachtoffer) en aldus een wettelijk recht heeft op vergoeding van affectieschade. Hiermee is de grond voor vergoeding van affectieschade gegeven. Het gevorderde bedrag door de benadeelde partij is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal het gevorderde bedrag aan affectieschade dan ook toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 februari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 1] .
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De wetgever heeft broers en zussen bewust uitgesloten van de kring van gerechtigden. De wetgever heeft wel voorzien in een restcategorie, maar ook hier valt de benadeelde partij niet onder. Onvoldoende is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden, zoals de wetgever bij het maken van de restcategorie voor ogen heeft gestaan en op grond waarvan de benadeelde partij dan zou verschillen van andere personen die hun broer of zus als gevolg van een misdrijf verliezen.
De benadeelde partij in de gelegenheid stellen om hieromtrent een nadere onderbouwing van de vordering te geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is door of namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij shockschade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij is immers getuige geweest van het feit dat zijn minderjarige neefje op een gewelddadige wijze werd gedood door de verdachte. Uit de bijlagen die bij de vordering zijn gevoegd, blijkt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en dat hij hiervoor onder behandeling is.
De rechtbank zal de geleden shockschade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van
€ 5.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van shockschade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 11.051,80, bestaande uit € 1.051,80 aan materiële schade, € 5.000- aan immateriële schade en € 5.000,- aan shockschade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 februari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 11.051,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 3] .
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
De benadeelde partij heeft zowel ten aanzien van het overleden slachtoffer [slachtoffer 1] (als tante), als ten aanzien van het slachtoffer [benadeelde 3] (als moeder) affectieschade gevorderd.
Ten aanzien van [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank dat een tante niet tot de kring van gerechtigden behoort. Ook heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd dat zij behoort tot de restcategorie die in aanmerking zou kunnen komen voor affectieschade. Met name heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd dat zij in een nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer stond anders dan als nauw betrokken familielid.
Ten aanzien van [benadeelde 3] overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij als moeder tot de kring van gerechtigden behoort. Echter, om in aanmerking te komen voor affectieschade dient sprake te zijn van “ernstig en blijvend letsel”. Volgens de toelichting op de wet Affectieschadeis in ieder geval sprake van letsel van dergelijke aard, indien dit leidt tot een blijvende functiestoornis van het lichaam van 70% of meer. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd dat bij [benadeelde 3] sprake is van dergelijk letsel.
De benadeelde partij in de gelegenheid stellen om hieromtrent een nadere onderbouwing van de vordering te geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij shockschade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij is immers in het ziekenhuis direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen die het bewezenverklaarde feit voor haar zoon heeft gehad. Uit de bijlagen die bij de vordering zijn gevoegd, blijkt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en dat zij hiervoor onder behandeling is.
De rechtbank zal de geleden shockschade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van
€ 3.000,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van shockschade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 3.000,-, bestaande uit shockschade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 februari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 4] .
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade de posten “Kosten psycholoog”, “Verlies aan arbeidsvermogen”, “Zorgkosten” en “Verhuizing”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat deze schade aan hem is toegebracht. Ter terechtzitting is immers gebleken dat de benadeelde partij deze kosten nog niet heeft gemaakt en dat het thans nog onduidelijk is of en tot welke hoogte deze kosten gemaakt gaan worden.
De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de overige posten met betrekking tot de materiële schade, is door en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 4 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 812,35.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 4 primair bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 5.812,35, bestaande uit € 812,35 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 februari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte voor het onder 4 primair bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.812,35, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [benadeelde 5] .