Rijkswaterstaat organiseerde een Europese aanbesteding voor levering van wegenzout, waarbij het gunningscriterium de laagste prijs was. [BV I] won alle percelen, Eurosalt eindigde als tweede. Het geleverde zout door [BV I] werd niet tijdig geleverd en voldeed niet aan de kwaliteitseisen uit het Programma van Eisen (PvE).
Eurosalt vorderde dat Rijkswaterstaat de uitvoering van de overeenkomst met [BV I] zou staken en diverse herstelmaatregelen zou opleggen. De rechtbank oordeelde dat Rijkswaterstaat binnen zijn contractuele rechten handelt door boetes op te leggen en herstel te eisen van het zout. Het niet tijdig leveren en de kwaliteitstekorten zijn contractueel geregeld, waarbij herstel mogelijk is.
De rechtbank verwierp het betoog van Eurosalt dat het toestaan van latere levering tegen boete een wezenlijke wijziging van de overeenkomst is. Ook werd geoordeeld dat Eurosalt haar recht om te klagen over de proportionaliteit van de aanbestedingsvoorwaarden heeft verwerkt door zonder protest in te schrijven.
De subsidiaire vorderingen werden eveneens afgewezen, omdat Rijkswaterstaat autonomie heeft binnen de contractuele kaders en Eurosalt onvoldoende belang had bij de gevorderde maatregelen. Eurosalt werd veroordeeld in de proceskosten.