Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2019 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Ter onderbouwing van zijn standpunt, verwijst eiser, onder meer, naar het volgende arrest dan wel de volgende stukken:
- het arrest van het Hof van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU, vindplaats: ECLI:EU:C:2018:586 (het arrest van het Hof van 25 juli 2018);
- een ‘Annual report on political and civil liberties 2018’ van Freedom House van 4 februari 2019;
- het ‘World Report 2019-Poland’ van Human Rights Watch van 17 januari 2019;
- het ‘Country report immigration detention in Poland; systematic family detention and lack of individualised asessment’ van het Global Detention Project van oktober 2018;
- een press release van 14 augustus 2018 en 2 juli 2018 over de inbreukprocedure die is opgestart door de Europese Commissie;
Verweerder heeft naar de mening van eiser onvoldoende onderzoek gedaan naar de fundamentele gebreken van het Poolse rechtssysteem met betrekking tot asielzaken, de ontwikkelingen ten aanzien van de onafhankelijke rechtsmacht en de schending van het recht op een eerlijk proces.
Ten aanzien van de omstandigheid dat de Poolse autoriteiten, met een beroep op de staatsveiligheid, in asielbesluiten de onderbouwing en motivering van het besluit geheim houden, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals verweerder terecht heeft gesteld heeft eiser niet onderbouwd waarom in bepaalde, uitzonderlijke gevallen in het kader van staatsveiligheid informatie niet zou mogen worden achtergehouden en waarom hij juist te vrezen heeft bij terugkeer hiervoor. De stelling van eiser ter zitting dat deze handelswijze in een groot aantal asielzaken wordt toegepast, wordt niet gevolgd. In de klacht van de Helsinki Foundation worden namelijk maar vier concrete zaken genoemd en wordt verder gesproken over “several motions to the Polish Courts” die de Helsinki Foundation heeft gedaan. Hieruit blijkt niet dat het achterwege laten van de motivering omwille van de staatsveiligheid, op systematische wijze plaatsvindt en blijkt dus evenmin dat elke asielzoeker die in het kader van de Dublinprocedure aan Polen wordt overgedragen zal treffen.
Dat de minister president van Polen zich negatief heeft uitgelaten over migranten, dat er signalen zijn met betrekking tot asielzoekers aan de Poolse grens die geen toegang hebben gekregen tot de asielprocedure, dan wel niet zijn toegelaten tot Polen en dat gesignaleerd wordt dat asielzoekers in Polen in detentie terechtkomen, zijn inderdaad zeer zorgelijke ontwikkelingen. De rechtbank acht hetgeen hierover bekend is onvoldoende om op dit moment te oordelen dat ernstig moet worden gevreesd dat het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen dusdanig ernstig tekort schieten dat dit aan de overdracht van Dublinterugkeerders aan Polen in de weg staat. In dat kader merkt de rechtbank op dat de gestelde problemen die asielzoekers aan de grens ervaren met betrekking tot de toegang tot het Poolse grondgebied en de Poolse asielprocedure geen asielzoekers betreft die in het kader van de Dublinverordening aan de Poolse autoriteiten zijn overgedragen en waarbij de Poolse autoriteiten op grond van de Dublinverordening gehouden zijn de asielaanvraag in behandeling te nemen.