ECLI:NL:RBDHA:2019:2162
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Zambiaanse als kennelijk ongegrond bevestigd
Eiseres, een Zambiaanse vrouw, diende een asielaanvraag in Nederland in na een vlucht uit haar land vanwege mishandeling en seksueel geweld. Haar aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank had het eerdere besluit vernietigd, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwees de zaak terug.
Tijdens de zitting gaf eiseres een toelichting op haar relaas, maar de rechtbank vond haar verklaringen op diverse punten ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd. Zo waren er tegenstrijdigheden en onduidelijkheden over haar verblijf, communicatie en de hulp die zij ontving om naar Nederland te komen. Ook werd geoordeeld dat zij zich niet onverwijld had gemeld voor het indienen van haar asielaanvraag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond had afgewezen. De gestelde psychische problemen en communicatieproblemen werden niet als doorslaggevend erkend. Ook de verwijzing naar artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet bood geen grond voor toewijzing. Ten slotte werd een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning afgewezen omdat de feiten ten tijde van het bestreden besluit dit niet rechtvaardigden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond is ongegrond verklaard.