Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:13069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2019
Publicatiedatum
9 december 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 604
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bericht over aanvang aflosfase studieschuld geen besluit in bestuursrechtelijke zin

Eiseres ontving een bericht waarin werd meegedeeld dat de aflosfase van haar studieschuld binnenkort zou beginnen. Tegen dit bericht maakte zij bezwaar, maar dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het bericht geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreft.

De rechtbank heeft het bezwaar en het daarop volgende beroep behandeld. Tijdens de zitting op 18 september 2019 werden eiseres en haar moeder wegens wangedrag uit de zaal verwijderd, waardoor het onderzoek werd geschorst en verplaatst. Na verzoeken om uitstel vond de zitting uiteindelijk plaats op 9 december 2019, waarbij eiseres niet aanwezig was en verweerder niet was verschenen.

De rechtbank concludeerde dat het bericht van 10 september 2018 slechts informatief was en geen rechtsgevolgen bevatte, zodat het niet kwalificeert als een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bericht over de aanvang van de aflosfase van de studieschuld is geen besluit, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is en het beroep ongegrond wordt verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 19/604

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

9 december 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

De bestreden beslissing op bezwaar

De beslissing van verweerder van 17 december 2018, waarbij het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar moeder [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
Ter zitting heeft eiseres een verzoek ingediend tot wraking van de rechter. De rechtbank heeft hierop het onderzoek ter zitting geschorst.
De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft het verzoek tot wraking bij beslissing van 8 augustus 2019 afgewezen en heeft bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Voorts is daarbij bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen.
De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2019.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar moeder [A] . Tevens was aanwezig mr. J. van der Plas, griffier bij deze rechtbank.
Namens verweerder is niemand verschenen.
Gelijktijdig met de onderhavige zaak stond geappointeerd de zaak van de moeder van eiseres (SGR 18/6063). Deze zaak werd als eerste behandeld. Tijdens de behandeling van de zaak van de moeder heeft de rechtbank zich genoodzaakt gezien om moeder en eiseres, wegens wangedrag, uit de zaal van de zitting te laten verwijderen.
Als gevolg van deze verwijdering kon eiseres niet aanwezig zijn bij de behandeling van haar zaak. Op grond hiervan heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de voortzetting van het onderzoek zal plaatsvinden op 29 oktober 2019 om 10.00 uur.
Eiseres heeft op 11 oktober 2019 om medische redenen uitstel van de zitting verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
Na telefonisch overleg met eiseres is de nadere zitting bepaald op 9 december 2019 om 10.00 uur.
Bij brief van 29 november 2019 heeft eiseres wederom om uitstel van de zitting verzocht.
Dit verzoek is bij brief van 3 december 2019 afgewezen.
De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2019.
Eiseres is, met bericht daarvan aan de rechtbank, niet verschenen.
Verweerder is, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet verschenen.
De rechtbank heeft kennis genomen van twee faxbrieven van eiseres, verstuurd op 6 december 2019 en 9 december 2019. In de inhoud van deze brieven heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden het onderzoek ter zitting uit te stellen.
De rechtbank heeft hierop het onderzoek ter zitting gesloten en heeft direct mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij bericht van 10 september 2018 is aan eiseres meegedeeld dat de aflosfase van haar studieschuld binnenkort begint. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt het slechts mogelijk bezwaar te maken tegen een schriftelijke beslissing (besluit) van een bestuursorgaan indien deze een mededeling bevat die is gericht op het intreden van rechtsgevolg. Van rechtsgevolg is sprake indien rechten en/of verplichtingen in het leven worden geroepen. Het bericht van 10 september 2018 is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. In het bericht wordt aan eiseres (ter informatie) meegedeeld dat de aflosfase van haar studieschuld binnenkort begint. Verder bevat het bericht geen mededelingen die zijn gericht op enig rechtsgevolg.
2. Nu het bericht van 10 september 2018 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, heeft verweerder het bezwaar tegen dit bericht terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 december 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.