Werknemer was sinds 2001 in dienst bij SRK en maakte deel uit van een transitieproces waarbij SRK werd ontvlochten vanwege beëindiging van samenwerking met grote verzekeraars. Werknemer koos ervoor om per 1 juli 2019 in dienst te treden bij ARAG, een van de nieuwe uitvoerders, en SRK bevestigde schriftelijk de beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden.
Werknemer vorderde betaling van een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding, stellende dat sprake was van een opzegging door SRK zonder instemming. SRK stelde dat de beëindiging met wederzijds goedvinden plaatsvond, gesteund door het transitieplan, de schriftelijke registratie van werknemer en zijn gedragingen na ontvangst van de brief.
De kantonrechter oordeelde dat werknemer duidelijk, ondubbelzinnig en schriftelijk heeft ingestemd met de beëindiging met wederzijds goedvinden. De gedragingen van werknemer, waaronder het accepteren van het ARAG-aanbod en het inleveren van bedrijfseigendommen, bevestigen dit. De vorderingen van werknemer werden afgewezen en het tegenverzoek van SRK tot verklaring voor recht werd toegewezen. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.