ECLI:NL:RBDHA:2019:12761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2019
Publicatiedatum
2 december 2019
Zaaknummer
NL19.27880
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdelingenbewaring en motivering van significant risico op onttrekken aan toezicht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 november 2019 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Algerijnse eiser. De eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, dat hem op 17 november 2019 de maatregel van bewaring had opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat de motivering voor de maatregel van bewaring onvoldoende was, omdat verweerder niet had aangetoond dat er een significant risico bestond dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank volgde de eiser in zijn stelling dat de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit in het kader van zijn Dublinoverdracht niet nodig was, aangezien hij op basis van Eurodac-gegevens kon worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat, Duitsland. De rechtbank concludeerde dat de gronden die door verweerder waren aangevoerd om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen, niet zonder nadere motivering konden worden aangenomen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, heffende de maatregel van bewaring op met ingang van 27 november 2019. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.005,- aan de eiser voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en tot het vergoeden van de proceskosten van de eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.27880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.

Ten aanzien van de vraag of de gronden feitelijk juist zijn en of daaruit blijkt van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser voert aan dat uit de grond dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, zonder toelichting niet volgt dat sprake is van een significant risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 30 april 2018. [1]
4. De rechtbank volgt eiser daarin, onder verwijzing naar deze uitspraak. De rechtbank overweegt dat de feitelijke juistheid van de grond door eiser niet is weersproken. Uit deze grond volgt echter zonder nadere motivering niet dat een significant risico op het onttrekken aan het toezicht bestaat waardoor eiser de voorgenomen overdracht aan een andere lidstaat in gevaar zou brengen. Uit de in de maatregel vermelde toelichting dat eiser niet beschikt over een inreisstempel van het Schengengebied, waaraan het vermoeden kan worden verbonden dat hij niet op de voorgeschreven wijze is in gereisd, dat eiser heeft verklaard zijn paspoort in Turkije te hebben achtergelaten en zonder paspoort en visum naar Nederland en Europa te zijn gereisd, dat hij asiel heeft aangevraagd in Duitsland en daarna zonder documenten naar Nederland is gereisd, volgt dat ook niet.
5. Eiser betwist daarnaast dat de grond dat hij niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit relevant is. Eiser kan immers op grond van de Eurodac treffer worden overgedragen aan Duitsland, wat ook blijkt uit het gegeven dat zijn overdracht staat gepland voor 26 november 2019. Ook voert eiser onder verwijzing naar de eerder door hem aangehaalde uitspraak van 30 april 2018 aan dat zonder nadere toelichting op die grond daaruit niet blijkt dat een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
6. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit in het kader van zijn Dublinoverdracht niet nodig is, omdat hij op basis van de gegevens in het Eurodac systeem over zal kunnen worden gedragen aan Duitsland. Ook volgt de rechtbank eiser in de stelling dat uit deze grond niet zonder toelichting volgt dat een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze toelichting ontbreekt in de maatregel van bewaring.
7. Eiser stelt verder dat uit de grond dat hij onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft vertrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat, zonder toelichting niet volgt dat sprake is van een significant risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook in dit verband verwijst hij naar de eerder door hem genoemde uitspraak van 30 april 2018.
8. Gelet op deze uitspraak van 30 april 2018 volgt de rechtbank eiser ook daarin. De rechtbank stelt vast dat eiser, net als bij de onder 4 besproken beroepsgrond, de feitelijke
juistheid van deze grond niet heeft weersproken. Zij stelt verder vast dat ook uit deze grond zonder nadere motivering niet volgt dat een significant risico op het onttrekken aan het toezicht bestaat waardoor eiser de voorgenomen overdracht aan een andere lidstaat (Duitsland in zijn geval) in gevaar zou brengen. Uit de in de maatregel vermelde toelichting dat eiser in Duitsland verschillende personalia heeft opgegeven om bij zijn vrienden te kunnen blijven en dat eiser in Nederland en in Duitsland zijn voor en achternaam door elkaar haalt, blijkt dit ook niet.
9. Eiser heeft tot slot ten aanzien van de grond dat hij zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsgegevens ook aangevoerd dat hieruit zonder toelichting niet volgt dat sprake is van een significant risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, onder verwijzing naar de door hem genoemde uitspraak van 30 april 2018.
10. Zoals hiervoor onder punt 8 al door de rechtbank is geoordeeld, volgt zij eiser, gelet op de door hem aangehaalde uitspraak, in zijn stelling dat uit deze grond niet zonder toelichting volgt dat een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken onder verwijzing naar deze uitspraak van 30 april 2018. De toelichting dat eiser zijn paspoort in Turkije heeft achtergelaten, dat hij betaald heeft om zijn paspoort te sturen naar Algerije en dat zijn paspoort nu in Frankrijk bij familie ligt, is in dit kader onvoldoende.

Ten aanzien van de vraag of de gronden de maatregel in beginsel kunnen dragen

11. De rechtbank overweegt dat de - twee door niet eiser niet betwiste - gronden dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en dat eiser verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld de maatregel niet kunnen dragen, gelet op het bepaalde in artikel 59a, eerste lid van de Vw, gelezen in samenhang met de artikelen 5.1a, vijfde lid en 5.1b, tweede lid van het Vb. Het beroep is dan ook gegrond.
12. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 november 2019.
13. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank wanneer zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 105,- (verblijf politiecel) en 6 x € 80,- (verblijf detentiecentrum)
= € 1.005,-.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 november 2019;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.005,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
27 november 2019

Documentcode: DSR9538388

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.