ECLI:NL:RBDHA:2019:10204
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring op grond van verbeurde dwangsommen
De Staat der Nederlanden heeft een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen [X] B.V., stellende dat deze onderneming is opgehouden te betalen. De vordering van de Staat betreft een bedrag van € 6.449,80, gebaseerd op verbeurde dwangsommen, rente en kosten. Tijdens de zitting is door de Staat aangevoerd dat het mogelijk om een boete gaat in plaats van een dwangsom, en is verzocht om aanhouding om het verzoek te wijzigen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat een wijziging schriftelijk en voorafgaand aan de zitting had moeten worden ingediend en de procedure spoedig moet verlopen.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek uitsluitend gebaseerd is op verbeurde dwangsommen. Volgens vaste jurisprudentie kan een faillissementsaanvraag niet uitsluitend op dergelijke vorderingen worden gebaseerd. Het vereiste van een redelijk belang bij faillietverklaring ontbreekt daarom. Gezien deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af.
De uitspraak is gedaan door de rechtbank Den Haag op 1 oktober 2019. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld door degene die is verschenen en daartoe gerechtigd is, via een advocaat bij het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van [X] B.V. wordt afgewezen omdat het uitsluitend gebaseerd is op verbeurde dwangsommen.