ECLI:NL:RBDHA:2019:10053

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 september 2019
Publicatiedatum
25 september 2019
Zaaknummer
AWB 18/9580
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 6.5 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 41 Aanvullend Protocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inreisverbod niet in strijd met het Aanvullend Protocol bij beëindigde verblijfsprocedure zelfstandige

Eiser, met de Turkse nationaliteit, had twee aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige ingediend, die beide door verweerder zijn afgewezen en waarvan de eerste afwijzing in rechte vaststaat. Vervolgens heeft verweerder op grond van de Vreemdelingenwet 2000 een inreisverbod van twee jaar aan eiser opgelegd vanwege het niet voldoen aan een terugkeerverplichting.

Eiser stelde dat het inreisverbod niet had mogen worden opgelegd omdat de verblijfsrechtelijke procedure nog zou lopen en het inreisverbod daarmee in strijd zou zijn met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Tevens voerde eiser aan dat verweerder zijn belangen niet had meegewogen, waardoor hij zijn onderneming niet meer kan voortzetten.

De rechtbank oordeelde dat de verblijfsprocedure niet meer loopt, aangezien de eerdere afwijzingen in rechte vaststaan. Het inreisverbod vormt geen verboden beperking volgens het Aanvullend Protocol. Daarnaast heeft eiser nagelaten een zienswijze in te dienen tegen het voornemen tot oplegging van het inreisverbod, waardoor verweerder niet verplicht was zijn belangen mee te wegen.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 18/9580

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Orhan)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 november 2018 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht vooraf, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Bij besluit van 21 december 2017 heeft verweerder een aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 juli 2018 is het daartegen door eiser ingediend bezwaar ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 2 november 2018 het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard [1] . Deze uitspraak staat in rechte vast. Bij besluit van 27 juli 2018 heeft verweerder een tweede aanvraag van eiser om een reguliere verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat tegen eiser bij besluit van 21 december 2017 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en dat eiser niet heeft voldaan aan deze terugkeerverplichting.
3. Eiser heeft in de gronden van beroep gesteld dat verweerder geen inreisverbod had mogen opleggen. Eiser beroept zich daarbij op artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Het opleggen van een inreisverbod is volgens eiser in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol (hierna: AP) [2] , nu de verblijfsrechtelijke procedure voor arbeid als zelfstandige nog loopt. Eiser heeft daarbij verwezen naar het arrest Tum & Dari van het Hof van Justitie van de Europese Unie [3] . Eiser heeft ter zitting, onder verwijzing van een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch [4] , nog gesteld dat verweerder de belangen van eiser had dienen mee te wegen bij het bestreden besluit. Indien eiser het Schengengebied niet meer kan inreizen, is het voor hem niet meer mogelijk om zijn onderneming voort te zetten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het opleggen van het inreisverbod niet in strijd is artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g van het Vb of met artikel 41, eerste lid, van het AP. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eisers eerdere aanvragen om een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ zijn afgewezen, en dat deze afwijzingen in rechte vaststaan. Anders dan eiser heeft betoogd, loopt er geen verblijfsrechtelijke procedure meer. Nu eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, is het tegen eiser uitgevaardigd inreisverbod geen verboden beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het AP. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2016 [5] en 29 november 2018 [6] .
De stelling van eiser ter zitting dat verweerder de belangen van eiser ten onrechte niet heeft meegewogen, kan niet worden gevolgd. Eiser heeft immers nagelaten een zienswijze in te dienen tegen het voornemen van verweerder van 30 juli 2018 om het inreisverbod op te leggen. Hierin had eiser zijn eventuele belangen kenbaar kunnen maken.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.AWB 18/6257
2.Bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (PB 1972 L 293).
3.Zaaknummer C16-05
4.Uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1031