ECLI:NL:RBDHA:2018:5273
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verwijtbare werkloosheid wegens gebrek aan subjectieve dringendheid bij ontslag werknemer gemeente
De werknemer was sinds 2000 in dienst bij de gemeente Rijswijk en werd geconfronteerd met verwijten over plichtsverzuim, waaronder onjuist afschrijven van verlofuren en onjuist invullen van fiscale formulieren. Na gesprekken in november en december 2016 werd hij geschorst en uiteindelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim.
Verweerder weigerde aanvankelijk de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, maar verklaarde het bezwaar van de werknemer gegrond omdat de werkgever niet voortvarend had gehandeld. De werkgever stelde beroep in tegen dit besluit en voerde onder meer schending van de hoorplicht aan en dat er wel degelijk sprake was van subjectieve dringendheid.
De rechtbank stelde vast dat de hoorplicht was geschonden, maar dat dit de belangen van de werkgever niet had geschaad. Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat hoewel de gedragingen van de werknemer een objectief dringende reden vormden, de werkgever onvoldoende voortvarend was geweest. Er zat een periode van ongeveer vijf weken zonder actie tussen het laatste gesprek en het voornemen tot ontslag, en de werknemer werd tot aan de schorsing toegelaten tot het werk.
Hierdoor ontbrak de subjectieve dringendheid die vereist is voor verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bepaalde dat de werkgever het griffierecht moest vergoeden en veroordeelde hem in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de werknemer recht heeft op WW-uitkering wegens gebrek aan verwijtbare werkloosheid.