ECLI:NL:RBDHA:2018:4492
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier wegens ontbreken geldige machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, had van 14 februari 2013 tot 11 februari 2014 een verblijfsvergunning voor een zoekjaar afgestudeerde. Na het verlopen van deze vergunning heeft hij meerdere aanvragen voor rechtmatig verblijf gedaan, die allen zijn afgewezen. Hij vroeg vervolgens een verblijfsvergunning regulier aan voor verblijf bij zijn partner, maar deze werd geweigerd omdat hij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
De rechtbank erkent het gezinsleven tussen eiser en zijn partner als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, maar oordeelt dat er geen inmenging is in het recht op gezinsleven, omdat eiser het gezinsleven heeft geïntensiveerd toen hij geen rechtmatig verblijf had. Tevens beschikt de partner niet over voldoende middelen van bestaan en is niet gebleken dat het gezinsleven in het land van herkomst niet mogelijk is.
Eiser voerde aan dat het mvv-vereiste in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM, en dat het formalistisch en disproportioneel is. De rechtbank verwerpt deze argumenten, verwijzend naar de relevante wetsartikelen en jurisprudentie, en concludeert dat verweerder terecht geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter A.E. Dutrieux op 25 april 2018.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.